Gelijkwaardigheid

Als je nieuw bent in een bedrijf en je luistert enige tijd mee aan de koffietafel, dan weet je al snel wie er gebruik maakt van zijn macht, wie natuurlijk overwicht heeft en wie dominant is. Wordt het je niet verteld in anekdotes, dan voel je het vaak zelf wel aan. Het gaat om de verhoudingen die we waarnemen. Het proces dat daarbij doorlopen wordt is vrij eenvoudig:

  1. je ziet/hoort iemands gedrag (iemand verhoogt en/of verlaagt zichzelf of een ander),
  2. je gewaarwording daarvan (je verlaagt of verhoogt voelen),
  3. de interne reactie (wat je ervan vindt) en
  4. je reactie op je gewaarwording (gedrag: jezelf of de ander verhogen en verlagen).

Je begrijpt dat hierna de cyclus weer bij punt 1 begint. De ander ziet/hoort jou en reageert hierop. Maar wellicht hoorde je jezelf ook en reageerde je van binnen met een mening en een reactie (‘Stom, dat had ik niet moeten zeggen!’ of juist: ‘Yeah, heb ik daar even een goed punt gemaakt!’).

Dit continue proces van beweging op zoek naar een evenwicht wordt interactiestatus genoemd. Hierbij wordt snel duidelijk dat interactiestatus niet iets is wat je hébt, maar dat het iets is wat in beweging is. Je kunt immers jezelf verhogen of verlagen, of de ander, naargelang je denkt of voelt dat het beste is. Interactiestatus legt uit waar communicatie feitelijk om draait: het vormgeven van verhoudingen. Het maakt duidelijk wát mensen doen en hóe ze dat doen. Interactiestatus geeft woorden aan onze notie van verhoudingen.

De dynamiek komt voort uit het eenvoudige feit dat elke communicatie een verhoging of verlaging van jezelf of de ander uitdrukt. In algemene zin heeft de hogere status overwicht en de lagere status wordt als niet-bedreigend ervaren. Om gedrag echt te begrijpen en te beïnvloeden is het belangrijk om niet in posities van hoger en lager te denken, maar naar de statusbeweging te kijken. Bewegingen zijn belangrijker voor het slagen van de communicatie dan de posities die we innemen.

Hieronder het voorbeeld van drie leraren:
Je herkent waarschijnlijk wel drie typen leraren:

Leraar 1 – de leraar die je de klas met angst vervulde. Toen je als leerling voor het eerst bij hem de klas binnenkwam, wist je het meteen: mond dicht en geen flauwekul uithalen. Deze leraar was beslist zeer deskundig, maar leren was er geen pretje. Hij was streng autoritair. Soms stuurde hij iemand de klas uit. Als hij dan vroeg wie er nog meer uitgestuurd wilde worden, was het doodstil. Meestal was stilzwijgend dreigen voldoende je beefde al bij voorbaat.

Leraar 2 – De leraar vervulde de klas bijna met medelijden. Ook bij hem wist je meteen hoe het zou gaan: binnen twee weken was hij overspannen. Op de een of andere manier kon deze leraar geen overwicht krijgen; het waren altijd de leerlingen die de dienst uit maakten. Hoe je je ook voornam je te gedragen, telkens liep het weer uit de hand. Wanneer je eens terecht gewezen werd, kwam dat door ingrijpen van een andere leraar. Respect was een bekend woord. De klas uitgestuurd worden, was geinig. Op de vraag of er meer kandidaten waren, liep iedereen weg.

Leraar 3- Tenslotte de leraar waar iedereen graag heen ging. Er werd geleerd, maar ook plezier gemaakt. Deze leraar was altijd aanwezig en toch op de achtergrond. Hij was de baas, maar als leerling kreeg je de ruimte. Je haalde weleens een grapje uit, maar zelden of nooit ging het over de grens.

Leraar 1 is  een leraar met een zogenaamde hoge status, een starre hoge status. Hij verhoogt zichzelf op momenten dat de situatie daar niet in die mate om vraagt. Daarnaast lijkt hij niet in staat zichzelf te verlagen of anderen te verhogen op momenten dat dit nodig is. Hij is de baas en dat betekent grote en blijvende statusverschillen. Er is eerder sprake van angst dan van respect voor deze leraar.

Leraar 2 heeft een starre lage status. Hij lijkt zichzelf niet te kunnen verhogen op het moment dat dat nodig is en positioneert zich onder de leerlingen.

Leraar 3 is statusexpert. Hij past de verhoudingen aan de situatie aan. Soms verlaagt hij zichzelf en/of verhoogt hij de leerlingen, waardoor de verschillen gering zijn, een geintje uithalen kan. Op andere momenten maakt hij de klas duidelijk dat er gewerkt moet worden door zichzelf te verhogen en soms andere te verlagen. In tegenstelling tot de andere leraren weet hij op het juiste moment de juiste statusverhoging- of verlaging toe te passen.

Context

Klinkt logisch en dat moet toch makkelijk anders kunnen. Maar ook hier heeft de context weer een rol. De context bepaalt of het gedrag van de betrokken klopt. In de ene situatie is je verhogen gepast. Maar stel dat je voor dat je directeur bezoek krijgt van de inspectie dan zeg je niet tegen je directeur. Haal jij even koffie? Maar gaan jullie 1 op 1 in gesprek dan is het prima als de directeur zegt ik heb zin in koffie wil jij ook een kopje koffie?

Opdracht

Let de komende week eens op welke ongemakkelijke of juist fijne situaties er zijn. Wie verhoogt zich, wie verlaagt zich, wat is de context en klopt dit? Wat had je anders willen doen, waarom lukte dat wel of niet?

Je kan het opschrijven in je werkboek.

Tijdens de bijeenkomst kunnen we een oefening doen over status als iemand deze les heeft uitgewerkt.

Vervolg alles gebeurt in een context
De context bepaalt of het gedrag van de betrokkenen ‘klopt’. In de ene situatie is het verlagen of verhogen van jezelf of van de ander gepast, in een andere situatie vind je het ongepast. De context is in het statusmodel alles wat een situatie maakt tot wat ze is, alles wat deze situatie onderscheidt van andere situaties. Je kunt daarbij denken aan de betrokken personen, het tijdstip, de locatie, het onderwerp, de voorgeschiedenis, beweegredenen en nog veel meer.

Het statusmodel van Henk en Luuk Stulkiens geeft taal om te beschrijven wat je ervaart. Je voelt bijvoorbeeld de intentie achter gesproken woorden van iemand, interpreteert gedrag of ervaart een grote afstand. Het voelen van een verhoging of verlaging begint met een gebeurtenis in je lichaam of daarbuiten. Niet alleen een ander kan iets ‘zeggen’, ook een te hard dichtslaande deur of een omvallende flip-over kan van invloed zijn op de statusverhouding. Je lichaam reageert daarop: je krijgt het warm of koud, je gaat zweten, blozen, trillen, je krijgt jeuk, et cetera. Veel van deze reacties zijn voor anderen waar te nemen. Vervolgens word je je bewust van wat er in je lichaam gebeurt, als reactie op de situatie. Nu pas kun je spreken van ‘voelen’ en kun je bewust tot actie overgaan: je besluit wel of niet te reageren met bepaald gedrag.

Interactiestatus is intuïtief, voelbaar en zichtbaar
Intuïtief kan iedereen aanvoelen of we verhoogd of verlaagd worden. Elke gewaarwording die je als prettig zou kunnen betitelen, is een statusverhoging. Omgekeerd wijst het ervaren van een onprettig gevoel op een statusverlaging. De pijn van een statusverlaging is in hetzelfde gedeelte gehuisvest in je brein, als waar je fysieke pijn voelt. Het bekijken van oorlogsbeelden of een filmpje van zinloos geweld of pesten kan dan ook heel wat teweegbrengen. Omgekeerd geldt natuurlijk hetzelfde!

Intuïtief voelen we ook of iemand een hoge of lage positie inneemt, lichaamsposities of stemgebruik herkennen we in een fractie van een seconde. Een hoge positie zal over het algemeen meer ruimte innemen en duidelijker spreken. Iemand maakt zich letterlijk groter en breder, een lage status zal zich kleiner maken, zoals het kenmerkende gedrag dat we zien bij schaamte. Iemand met een hoge status staat recht, voeten op schouderbreedte, de tenen lichtjes naar buiten wijzend. De kin een tikje naar boven en naar voren en de knieën ‘van het slot’. Iemand met de lage status staat wat gebogen, enigszins door de knieën gezakt, met opgetrokken schouders. De tenen wijzen wat naar binnen en zowel kin als oogopslag zijn naar beneden gericht. Van het lang in een lage positie verblijven kom je makkelijk in een depressieve stemming. Andersom geldt ook dat een hoge status op termijn het gevoel kan geven de hele wereld aan te kunnen.

In termen van status is winnen hetzelfde als een hoge status toebedeeld krijgen, of jezelf verhogen en de ander verlagen. Degene die wint in een sportwedstrijd is beter, machtiger en krachtiger en ervaart dat als de hogere status. Wanneer je een hoog cijfer haalt op een proefwerk, een discussie wint of zelfs een eenvoudig raadseltje oplost, dan voelt dat als een statusverhoging.

Zoals een statusverhoging een goed gevoel geeft, zal een statusverlaging ons soms met een rotgevoel opzadelen. De pijn die we voelen heeft in dit geval veelal te maken met het gevoel te verliezen, vernederd te worden en het onderspit te delven. De pijn zal zelfs intenser zijn dan de roes van het winnen kan opheffen. Vaak wordt in populaire literatuur aangehaald dat mensen tegenover elke negatieve feedback minimaal vijf complimentjes mogen zetten om weer een goed gevoel te krijgen. Dit geeft aan hoezeer een statusverlaging ons kan raken.

en/of

Alle statusbewegingen zijn even belangrijk, de ene beweging is niet beter of belangrijker dan de andere. De situatie bepaalt welke bewegingen je het beste kunt gebruiken en in welke mate je ze moet toepassen. Alleen de keuze voor een bepaalde beweging kan in een gegeven situatie goed of fout zijn. De context bepaalt of het gedrag van de betrokkenen ‘klopt’. In de ene situatie is het verlagen of verhogen van jezelf of van de ander heel gepast. Als statusbewegingen op zichzelf fout waren, zou dit de onderlinge communicatie flink beperken, zoals uit het onderstaande blijkt:

[i]         Geraadpleegd op 8 augustus 2017, URL: https://www.hetfenomeenstatus.nl

× Stuur een bericht